Journalism calling: ode aan de telefoon

Just a New York conversation, gossip all of the time

Did you hear who did what to whom, happens all the time

Who has touched and who has dabbled here in the city of shows

Openings, closings, bad repartee, everybody knows

3 op 5 voor de vijf W’s, Lou, dan verdien je de titel van “gevorderd journalist”. Reed’s Transformer kwam uit in 1972, een tijd waarin een nummertje draaien op het telefoontoestel het walhalla van ieder kind was. Zo’n ruime veertig jaar later zijn wij echter omringd door een heel areaal aan andere media. Ook journalisten wanen zich als een bedwelmde Alice in Wonderland; Twitter, Facebook, LinkedIn … allemaal goed en wel. Maar een simpel belletje – ik praat in telefoons, in smartphones, Appelen en Bessen (ik heb nog een openklapbaar mobieltje, weet u) – schittert nog net op ooghoogte van de journalist. Power to the horn!

Bij U is de bron

on·der·zoek (het; o; meervoud: onderzoeken)

de handeling van onderzoeken: een onderzoek instellen; wetenschappelijk onderzoek

on·der·zoe·ken (onderzocht, heeft onderzocht)

nauwkeurig nazien, nagaan, nasporen: kisten en koffers werden door de douane onderzocht

Aah, onderzoek, het stokpaardje van ieder journalist. Volgens een Duitse studie van Machill en Beiler (2009) spenderen de gatekeepers van onze samenleving gemiddeld 43% van hun werkdag aan het uitpluizen van het nieuws. Bronnen verzamelen, bronnen checken, bronnen aanvullen… hij is het filterende vangnet in een stroom van informatie. In dit digitale tijdperk lijkt die stroom echter niet langer op een kabbelend beekje, dan wel op een maalstroom van jewelste. E-mail is bijvoorbeeld niet langer weg te denken uit het verspreiden van persberichten. Ook sociale media klinken de gemiddelde journalist steeds bekender in de oren; ongeveer de helft van de Belgische journalisten was immers in 2012 al te vinden op Facebook en/of Twitter (Quadrant Communications, 2012). Toch gebruikt maar 1 op 5 ze ook werkelijk dagelijks als informatiekanaal (Raeymaeckers, Heinderyckx et al., 2013).

Journalisten blijven ondanks de digitalisering vastgeroest an het oude; maar liefst de helft grijpt dagelijks terug naar de klassieke, zogezegd “lang achterhaalde” beldoos. De telefoon bleek dan ook een goed alternatief voor persconferenties, die met hun 14% aan een sterke terugval toe zijn; het toestel is immers minder tijdrovend en biedt bovendien een persoonlijk contact tussen interviewer en interviewee. Sociale media zouden op het eerste zicht deze efficiëntie zelfs nog kunnen verhogen. Is deze ode aan het klassieke medium dan een laatste litanische zwanenzang? Nee, want de telefoon is immers een ideale brug tussen het goede van het oude en van het nieuwe.

(A)Sociale media

De telefoon is in de eerste plaats een geschikt middel om de betrouwbaarheid van het aangeboden nieuws na te gaan. Volgens Machill en Beiler spenderen journalisten slechts 5,5% van hun werktijd aan het checken van bronnen. Een opmerkelijk cijfer voor een sector waarin feitelijkheid en objectiviteit in de bovenste schuif liggen. Maar krappe deadlines en de drang “om toch maar de primeur te hebben” brengen deze waarden in het gedrang. Vanwege deze tijds- en prestatiedruk is het dan ook niet verwonderlijk dat wanneer journalisten het toch doen, hun hand liever gekleefd zit aan een hoorn dan een toetsenbord. De telefoon staat immers voor een directe bereikbaarheid en dus een directe bevestiging met eventuele uitdieping en directe publicatie van een nieuwsbericht. Een mailtje raakt immers snel verstrikt in een overgrote communicatiestroom. Niets boven wat urgentietelefonie dus. Dat werkt eveneens aan de andere kant van het journalistieke spectrum: ook voor informatieverleners is een “even Apeldoorn bellen” doeltreffend als het om een belangrijk bericht gaat (phone rapers die graag voor de 543ste keer vol vuur en enthousiasme over een nieuwe ontwikkeling binnen hun bedrijf vertellen niet meegerekend)

Verder impliceert een telefonisch gesprek al een zekere betrouwbaarheid van de bron in zichzelf. Je weet immers op voorhand wie je contacteert; de woordvoerder van eerste minister Charles Michel, een collega-journalist, de communicatieverantwoordelijke bij Belgacom … Vaak dragen deze personen een zekere autoriteit in zich door hun functie of verbondenheid aan een bedrijf. De hand achter een obscuur nieuwsbericht op Facebook is daarentegen moeilijker te controleren en kan vanaf de start omringd worden door een vage herkomst. Natuurlijk geldt hier wel de uitzondering; tweets of shares afkomstig van een journalist of de Facebookpagina van bijvoorbeeld Mobistar mogen wel op dezelfde betrouwbaarheid rekenen.

Tenslotte vind je als journalist meer spontaniteit en persoonlijk contact in een telefoongesprek dan in wat heen en weer getwitter of een Facebookchatgesprekje. Dat heeft grote voordelen voor zowel het journalistieke product als de journalist zelf. Zo reiken spontane telefoongesprekken heel wat meer randinformatie aan dan een berekend e-mailantwoord. Juicy quotes en bijhorende gevoelens, aarzelingen of frustraties maken immers het verschil. Verder is en blijft de telefoon het belangrijkste vervangmedium voor een persconferentie of een klassiek interview omdat het persoonlijk contact niet gereduceerd wordt tot het digitale woord. Telefoon blijft dus ideaal voor networking, een niet onbelangrijk aspect van de journalistieke wereld.

Complementairen

Is dit een openlijke vraag voor een terugkeer naar Lou’s jaren ’70 en voor het negeren van de socialemediarealiteit? Allesbehalve. Sociale media zijn er en hebben al meermaals hun nut bewezen voor het journalistieke landschap; ze maken informatie op korte tijd beschikbaar en hebben bovendien een grote graad van toegankelijkheid. Waar we wel voor zouden moeten pleiten is een gevarieerd kanalengebruik, waarbij ieder medium zijn specifieke sterktes uitspeelt en de journalist helpt om zijn of haar job naar behoren uit te oefenen. De telefoon is hierin hét middel bij uitstek om snel bronnen te checken en persoonlijke relaties met andere actoren binnen het medialandschap verder te bekrachtigen. Bende teleromeos.

Bronnen

Machill, M. & Beiler, M. (2009). The importance of the internet for journalistic research. A multi-method study of the research performed by journalists working for daily newspapers, radio, television and online. Journalism Studies, 10(2), 178-2003.

Quadrant Communications (2012, 3 mei). Meerderheid Belgische journalisten gebruikt twitter [persbericht].

Raeymaeckers, K., Heinderyckx, F. e.a. (2013). De Belgische journalist in 2013: een zelfportret. Gent: Academia Press.

Wikipedia be trollin’

Bron: helpfeedthetroll.com
Bron: helpfeedthetroll.com

Wikipedia is the best thing ever.

It sure is, Michael Scott. Een ode aan de democratie, collaboratie done right, een fantastisch voorbeeld van the wisdom of crowds (Surowiecki 2004); Wikipedia is de triomf van de marketplace of ideas. Internetgebruikers slaan immers de handen van kennis in elkaar met overzichtelijke wiki’s over onderwerpen gaande van obscure keversoorten in Papoea-Nieuw-Guinea tot de Japanse Hachiko. De gemeenschap construeert en corrigeert. Helaas heeft niet iedereen even nobele bedoelingen met de wikisoftware; pagina’s worden immers overspoeld door grappenmakers die bijvoorbeeld graag eens willen verwijzen naar Charlie Sheen’s dagelijks snuifje poedersuiker. Watcha gonna do about it, Wikipedia?

Trolling wordt academisch

Bron: helpfeedthetroll.com
Bron: helpfeedthetroll.com

Ze leveren in ieder geval een schat aan hilarische screenshots op, maar hoe onschuldig zijn zulke ludieke aanpassingen op deze internet communities? Wikipediamisbruikers zijn immers zo’n hardnekkig probleem dat Shachaf en Hara (2010), verbonden aan Indiana University, er een academisch onderzoek naar uitvoerden. Hiervoor focusten ze op vier Wikipedia trolls en vulden ze deze cases aan met interviews met de systeemoperators. De herhaaldelijke grappenmakers strooiden vooral met vloekwoorden en persoonlijke bedreigingen (al zocht troll 1 ook zijn heil in Hitler – pun not intended – én pornosterren om voor de internet community de barsten van een democratisch kennissysteem bloot te leggen). De acties vertonen dus geen duidelijke protestideologie, iets waar nochtans veel hackers mee geassocieerd worden. De systeemoperators schreven de grappen dan ook toe aan verveling, aandachtszoekerij of wraak. En ohja, entertainment (geef maar toe).

Toch blijven Wikipedia trolls niet beperkt tot gelukkig getrouwde vaders met een eigen dokterspraktijk (Wat? U denkt niet dat ze een succesvol leven hebben?). Ook leden van het Amerikaanse Congres zijn wel eens in de mood voor een grapje; zo refereerden ze graag naar Republikein Donald Rumsfeld als een “alien lizard”. Oh you, US congress members. Minder onschuldig echter zijn de aanpassingen van de Russische regering op de pagina van vlucht MH17; de terroristen, die in de initiële versie sterk gelinkt werden aan de Russische Federatie, werden vervangen door het vage “Ukrainian soldiers”. Wikipedia-aanpassingen kunnen dus wel degelijk een ideologisch doel en zelfs een doofpotoperatie in zich dragen.

Repressie

Wikipedia onderneemt alvast actie; zo creëerde het the automatic twitter bot Congress edits om aanpassingen vanuit het Amerikaanse Congres te identificeren en ten toon te spreiden, met het account @RuGovEdits als een Russische variant hiervan. Amateur trollers zijn echter moeilijker op te sporen en te bestraffen. Uit het onderzoek van Shachaf en Hara bleek dat systeemoperatoren als een stagiair-leekracht de betreffende internetgebruikers “vriendelijk verzoeken de verwerpelijke activiteiten stop te zetten” (want Kevin, je gedrag kan echt NIET door de beugel). De echte doorbijters worden na verloop van tijd geblokkeerd. Vaak creëren ze echter meerdere accounts, waardoor het vervolgen van Wikipediamisbruikers uitmondt op een ware heksenjacht.

Scheldwoorden en persoonlijke bedreigingen zijn uiteraard makkelijk te identificeren, maar niet alle aanpassingen kunnen altijd openlijk veroordeeld worden. Zo deed Charles Duval, Dichter des Vaderlands, zijn verhaal in De Morgen over de herhaaldelijke aanpassingen aan zijn wikipage. Deze stelt hem immers voor als actief lid van de communistische AMADA, de voorloper van de huidige PVDA, terwijl hij zichzelf eerder als “sympathisant” ziet. Aanpassingen bestrijden met een koekje van eigen deeg blijkt weinig effectief; na verloop van tijd prijkt de link met AMADA opnieuw op de pagina. Volgens Wikipediavrijwilliger Michel Vuijlsteke is een mailtje sturen naar Wikipedia weinig effectief. De beste optie is in een krantenartikel de desbetreffende informatie te ontkennen, in de hoop dat deze dan ook op de wiki verschijnt. Het aanpassingssysteem kan dus niet bestreden worden van binnenuit.

Trolls tonen dus de zwakheden van het emancipatorische walhalla Wikipedia. De kennis die uit de wiki’s voortvloeit kan immers onschuldige onjuistheden maar ook bewust verkeerde informatie bevatten. The wisdom of crowds is maar zo sterk als haar trolling schakel. Democratie moet dus paradoxaal genoeg toch aangevuld worden met een zekere vorm van hiërarchie. Wikipedia-operatoren moeten immers in staat zijn een gedegen oordeel te vellen over de aard van de veranderingen en ook gehoor geven aan de personen in kwestie aan wie schade wordt berokkend, zeker als de pagina een platform wordt voor een aanhoudend aanpassingengevecht. Maar Wikipedia, ik smeek je, laat er een paar voorbij je systeem glippen. Nog eentje voor het slapengaan.

Bron: feedthetroll.com
Bron: feedthetroll.com

Bronnen

Shachaf, P., & Hara, N. (2010). Beyond vandalism: Wikipedia trolls. Journal of Information Science, 36(3), 357‐370.

Surowiecki, J. (2004). The Wisdom of Crowds. New York: Doubleday.

De nieuwe journalist is flex

Zij* werkt heldhaftig haar weg door staking na staking richting redactie, om daar een recensie van de nieuwe The Twilight Sad neer te pennen, mee te werken aan een visuele reportage over het Leuvense Kortfilmfestival, terwijl ze tussendoor wat nieuwtjes op de website publiceert over Black Friday en stijgende vinylverkopen (hoera!). Ahja, en ‘s middags had ze een focaccia met gedroogde tomaten, olijven en buffelmozzarella, laat haar Instagram weten (want digitaal narcisme is hot). Het takenpakket van een journalist breidt aanzienlijk uit onder invloed van mediaconvergentie. Maar zullen alle staaltjes journalistiek van journaliste X even hoogstaand zijn als haar lunch? Kwaliteit lijkt immers snel ingewisseld te worden voor flexibiliteit.

De problemen

We all knew this. We all knew that it would take more time than any of us want to dig ourselves out of this hole created by this economic crisis.”(Barack Obama)

Mag ik het nog één keer met u over de economische crisis hebben (echt de laatste keer, ik zweer)? Ook het medialandschap lijkt immers apocalypsgewijs te verzakken in een diepe kuil. Fuseren, fuseren, wie niet kan die moet saneren**; en de journalist is de eerste om deze veranderingen op te vangen, want “flexibel zijn” was toch wel het criterium bij uitstek dat in zijn sollicitatie aan bod kwam. Een printwerknemer bijvoorbeeld verlaat bij gelegenheid zijn vaste stek voor een surfsessie bij de onlineredactie (en hij trekt het liefst ook nog een fotootje van het concert dat hij recenseerde). Een verbreding van de horizon, maar was het maar zo idyllisch. Journalisten specialiseren immers om kwaliteit voor hun lezers te garanderen en zo een onderscheid te behouden tussen professionele journalistiek en burgerjournalistiek.

Een vluchtige introductie aan het medium is dus niet genoeg; leren kost tijd en geld. En laat dat net nu twee pijnpunten zijn van het huidige bedrijfsleven. Het overbruggen van print, online, radio en televisie wordt bovendien nog bemoeilijkt door het specifieke karakter van elke specialisatie. “Ja, allemaal media”, maar elk met andere procedures, dagindelingen en taken. Voor de durvers onder de journalisten is deze verbreding uiteraard een must, maar vooral de oude rotten in het vak vergt het kruipen uit de kuil een steviger laddertje. Een camera kunnen bedienen is immers niet voor iedereen een basisvaardigheid.

De journalisten

De journalisten denken er bovendien het hunne van. Uit een onderzoek van Vincent F. Filak bleek dat culturele vooroordelen over de verschillende afdelingen binnen het medialandschap een overbrugging afdoen als een tijdelijk ezelsbruggetje. Er heerst immers een hardnekkige intergroup bias; journalisten zijn positiever over hun eigen medium dan dat van een andere en zijn ook minder geneigd om de voordelen die een ander medium biedt ook effectief te erkennen. Verder houden journalisten niet direct van plannen die een directe impact hebben op hun geliefkoosde werkomgeving (waaronder mediaconvergentie). Verzamel uw hooivorken en fakkels; de gatekeepers van onze samenleving zijn tóch conservatief.

Van Noort echter onderzocht de opinie van journalisten van The Guardian en The Mail over mediaconvergentie en kwam daarmee bij een contrasterende conclusie uit. Alle respondenten vertoonden immers een positieve houding ten opzichte van het fenomeen. Opnieuw speelt de economische crisis hierbij een belangrijke rol; ze zien mediaconvergentie als een noodzaak om de nieuwsindustrie te redden. Toch werd ook gewezen op het potentieel dat het fenomeen in zich draagt, niet alleen voor hun eigen bedrijf, maar ook voor minder ontwikkelde landen waarin redacties vaak onderbemand zijn.

Achilles haalt de schildpad in

Convergerende media en flexibele, veelzijdige werknemers lijken dus een noodzakelijke, haast onvermijdelijke ontwikkeling te zijn voor het redden van de journalistieke sector. Maar een samenloop wordt al snel een compleet zootje ongeregeld. Daarom wordt saneren repeteren; uit het onderzoek van Van Noort bleek eveneens dat veel journalisten bereid zijn om ook effectief iets op te steken over andere media. Opleidingen mogen dan wel geen kosteloze maatregelen zijn, de journalistieke vruchten ervan zullen wel eens zeer rijk in smaak kunnen zijn. Dat begint beter te vroeg dan te laat, misschien zelfs al in de academische loopbaan van journalisten in spe. Uit een ander onderzoek van Vincent F. Filak en andere (hij is echt wel de specialist ter zake) blijkt immers dat Amerikaanse studenten Communicatiewetenschappen wantrouwig staan ten opzichte van andere specialisaties dan die van henzelf, een beetje zoals de professionele journalisten die reeds vermeld werden. Als een meer gevarieerd takenpakket effectief de toekomst is, dan dient een open houding over crossmediale journalistiek ook reeds in de opleiding aan hogeschool of universiteit benadrukt te worden, wil dit experiment in tijden van crisis slagen.

Flexibiliteit en kwaliteit sluiten elkaar in een geconvergeerd medialandschap dus niet noodzakelijk uit. Maar Investeren, investeren, om een open houding tegenover de onvermijdelijke toekomst van mediaconvergentie te garanderen; gehoord Torfsje?

* because feminism

** Iedere gelijkenis met dit meesterwerk berust op toeval

Bronnen

Filak, V. F. (2004). Cultural Convergence: Intergroup Bias Among Journalists and its Impact on Convergence. 12(4), 216-232.

Filak, V. F. , Hubbard, G. T. & Crawford E. C. (2011). Social Identity and Convergence: News Faculty and Student Perspectives on Web, Print and Broadcast Skills. 5(1), 20-40.

Van Noot, E. E. (2007). Newsroom Convergence: at The Mail & The Guardian: a Qualitative Case Study. Rhodes University, Grahamstown.

Journalisten geven de blog het ja-woord

De ene verwijt de ander de emotionele reikwijdte van een theelepeltje, de andere wijst de ene op een verstopte neus voor staalharde feiten en objectiviteit; de relatie tussen professionele journalisten en “bohemien” bloggers kan nog het best vergeleken worden met de eerste troubles tijdens de huwelijksreis. Toch kunnen bloggers en journalisten heel wat van elkaar leren; met hun eigen visie op informatie vullen ze elkaar in hun gebreken aan. Enkele journalisten hebben dat alvast begrepen; zij nemen naast de geschreven of audiovisuele pers nu ook het internet over met hun eigen blog.

De scheiding aangevraagd

Blogging has been portrayed as exposing journalism’s weak points , as a force that will ‘blow open holes in the gatekeepers’ firewalls’, and as ending journalism’s reign of ‘sovereignty’ . Bloggers claim to have toppled CNN news head Eason Jordan, to have forced Dan Rather to resign over CBS reporting errors, and to have kept the heat on New York Times editor Howell Raines after the Jayson Blair scandal. (Lowrey 2006)

Vanaf de tweede helft van de jaren ’90 lijken de traditionele media hun taak als “watchdog” op het reilen en zijlen van de samenleving gedeeltelijk over te leveren aan de elektronische dagboeken van niet-professionele internetjournalisten. Blogs staan immers garant voor een “marketplace of ideas” die de feitelijkheid van traditionele nieuwsberichtgeving in vraag stellen. Objectiviteit wordt dus ingeruild voor transparantie: bloggers etaleren hun eigen visie op de feiten en benadrukken openlijk het opiniërende karakter hiervan. Meerdere perspectieven maken dus het feit. Het zijn hoogdagen voor het postmodernisme. Bovendien creëren blogs een aparte community, de zogenaamde “blogosphere”, waarin via hyperlinks snel en efficiënt verwezen wordt naar gelijkaardige of contrasterende meningen, om zo het generaliserende plaatje dat het nieuws ons presenteert open te stellen voor discussie (Nieman Reports).

Verder bieden de persoonlijke websites diepgaandere informatie over content die reeds oppervlakkig in de traditionele berichtgeving is aangeraakt. Blogs zijn dus als het ware de verduidelijkende, maar soms sterk gewenste voetnoot, de “Suggestions for Further Reading” op een Wikipediapagina (ja, ik mag die vergelijking maken, Nature zegt dat Wikipedia wél objectief is). Vaak zullen bloggers zich dan ook vooral richten op niche-content voor een specifieke doelgroep.

J-blogs

Blogs pikken dus in op twee “gevoeligheden” van de journalistiek; de onmogelijkheid van objectiviteit en het gebrek aan diepgang binnen de beperkende lijnen van een nieuwsartikel. Daarom zijn blogs en de pers eerder complementair dan absolute tegengestelden. Journalisten kunnen de “easy-to-create websites” (Nieman Reports) aanwenden als een zalfje voor deze pijnpunten. Sommige journalisten zien alvast het potentieel in blogs en schuiven lepeltjesgewijs naar de andere kant van het huwelijksbed voor meer transparantie, meer diepgang en meer verbondenheid met het lezerspubliek.

Catherine Vuylsteke

catherine-slide02
Bron: http://www.catherinevuylsteke.com

Creatieve duizendpoot Catherine Vuylsteke (ze is volgens haar blog auteur, journalist, filmmaker en china-expert) schrijft naast voor de buitenlandkatern van De Morgen, ook voor haar persoonlijke blog. Hier biedt ze meer diepgang aan over een heel areaal aan buitenlandse thema’s, gaande van de hypocrisie van de Arabische lente tot de holebiproblematiek in Afrika. De blog wordt bovendien gekleurd door persoonlijke getuigenissen van burgers, die een gezicht geven aan de onderdrukking in totalitaire regimes. Check daarbij zeker het verhaal van Shin Dong-hyuk, die de gruwel van de Noord-Koreaanse werkkampen meemaakte en in 2005 ontsnapte. Verder is ook de getuigenis van Assaad Idrissi, een homoseksuele Marokkaan die moeizaam zijn gading in Brussel tracht te vinden, een echte aanrader. Journaliste Vuylsteken is echter ook niet vies van wat zelfpromotie op haar blog; bij de categorie “werk” vind je een overzicht van haar journalistiek werk, zoals het boek Onder Mannen en de documentaire Silent Stories.

De Nieuwe Reporter

De Nieuwe Reporter (DNR) is een onafhankelijk weblog voor het debat over de toekomst van de Nederlandse journalistiek. De nadruk ligt op discussies over en onderzoek naar de invloed van nieuwe media en technologie op de journalistiek. Maar ook bredere ontwikkelingen op het gebied van media, samenleving en publieke sfeer komen aan bod.

Dat biedt De Nieuwe Reporter, een initiatief van Alexander Pleijter, alvast volgens de blog zelf. Een handvol journalisten, waaronder Jerry Vermanen van NU.nl en Herwin Thole van Z24, slaan de handen in elkaar om een genuanceerde visie te leveren op het journalistieke proces en hoe nieuwe media en technologie hierop inwerken. De blog biedt dus tegelijk meer diepgang over journalistiek, maar plaatst ook een kritische noot bij haar vermeende objectiviteit. “Meer Kuifjes in Brussel graag” breekt bijvoorbeeld met de glamourwereld van EU-correspondenten in Brussel, mét bijhorende reportage in videovorm. Ook “Journalistiekdocenten zijn vooruitstrevender dan journalisten” is het lezen waard, al is het maar om de bergen werk van professoren journalistiek in een optimistisch kader te plaatsen.

Paradocx

soon-turtle_o_401392
Bron: memecenter

 Bijna journaliste, bijna.

Bronnen

Lowrey, W. (2006). Mapping the journalism-blogging relationship. Journalism, 7(4), 477-500.

Themanummer ‘Weblogs & Journalism’ in Nieman Reports vol. 57 nr. 3 (fall 2003), http://www.nieman.harvard.edu/assets/pdf/Nieman%20Reports/backissues/03fall.pdf

De Smaele, H. – Presentatie Nieuwe Media en Mediaconvergentie: Blogs in de journalistiek

e-thiek: de zin en onzin van internetregulering

Terwijl jij er lustig op los zit te poken, tweet over de schimmelafwas van je kotgenoot of het zoveelste filmpje van een kat op een schildpad deelt, trachten miljoenen andere internetgebruikers nieuwe media in te zetten in een wereldwijde strijd tegen onrecht en onwetendheid. Nieuws- en informatieverspreiding is dan ook niet meer gemonopoliseerd door de traditionele nieuwsmedia; professionele én niet-professionele journalisten gaan met elkaar in dialoog en breken het klassieke communicatieschema van producent – inhoud – consument open. Hoe zit het dan met ethische regulering van die burgerjournalistiek? Is die zelfs wel gewenst?

A deadly E

Vincent Maher, hoofd van The New Media Lab aan Rhodes University, erkent alvast dat de nieuwe media de traditionele journalistiek openbreken en dus ook de ethiek die daarmee gepaard gaat. Hij ziet ethiek dan ook als één van de “deadly E’s” (samen met economics en epistemology) waarin citizen journalism te kort schiet en uiteindelijk aan ten onder zal gaan. Onderstaande tabel geeft die ethische discrepantie volgens Maher weer

Old Media Citizen Journalists
Institutional code of ethics Uncoordinated individual self-interest and fear of litigation
Formalised training either via tertiary education or internally within the media organisation Self-taught amateurs – though you can do a doctorate in blogging with some less informed university faculties
Formal accountability, there is a boss to answer to Superficial accountability on an individual level
Gate keeping and editing standards Subjective selection
Monitoring, via industry bodies and associations Nothing, except commentary and feedback

Maher verwijt de nieuwemediajournalistiek voornamelijk een gebrek aan controle die je wel vindt binnen het klassieke model van een krant-, radio- of televisiemaatschappij. En er zit een grond van waarheid in Maher’s bevindingen; het nieuws dat je van Dany Verstraeten bij je portie spinazie en aardappelen krijgt is nu eenmaal beter gecontroleerd en dus betrouwbaarder dan dat van een obscure blogger_Xx_69. Maher pleit er dan ook voor dat de oude media een soort van regulerende instantie worden voor de nieuwe media van de burgerjournalistiek:

The traditional media will and should adopt and use the forms of the New Media that work and assimilate them for better use within a structured environment, and bring some of that structure to them. The Guardian blog is an example of this not working properly.

Naar een open ethiek

Mahers visie op een ethiek voor nieuwe media beperkt echter de kracht die het internet bezit om vanzelfsprekendheden en gevestigde waardes aan te kaarten. Als de internetjournalistiek immers helemaal gemonopoliseerd wordt door “industry bodies and associations” (wat al voor een groot deel het geval is, kijk maar) dan verdwijnt een belangrijk platform voor kritische of zelfs controversiële journalistiek door mensen die niet in dit bedrijfsverband werken. Ward en Wasserman stellen dan ook dat de ethiek van de oude media niet zomaar kunnen doorwerken in de nieuwe:

The openness of discourse provided by new media goes beyond providing only a more convenient or “hi-tech” version of the traditional letter to the editor.

Zij pleiten dan ook niet voor een strikte set van regels die het internetgebeuren reguleren, maar voor het naleven van enkele algemene waarden die het debat net levende houden in de plaats van het te beperken. In de eerste plaats moet dit debat toegankelijk zijn voor een zo groot mogelijk publiek. Hiermee wordt een positieve inclusiviteit bedoeld die meer is dan een passief registreren van een heel areaal aan stemmen. Ward en Wasserman wijzen er voorst op dat globale toegang tot het platform die nog niet gerealiseerd is hier wel bij in gedachten moet worden gehouden. In de tweede plaats dient de participatie actief te zijn, wat inhoudt dat gebruikers de waarheid niet zoeken in functie van een bevestiging van de hegemonie, maar als een aankaarten ervan. Samengevat pleiten Ward en Wasserman dus voor een open ethiek die alle stemmen blijft toelaten om zo het revolutionaire karakter van nieuwe media te bewaren.

Bron: Youtube
Bron: Youtube

Natuurlijk heeft een open ethiek verreikende repercussies; het internetlandschap wordt immers een kluwen van stemmen, die met elkaar interageren, elkaar bevestigen of tegenspreken. Sommige van deze stemmen zullen minder voor de hand liggend zijn, of zelfs een bedreiging vormen voor gevestigde waarden van vrijheid en vrede. Wanneer medewerkers van het Oekraïense Spilno.tv de Russische onderdrukking van het land in beeld brengen, is het Westen er als eerste bij om dit staaltje journalistiek de hemel in te prijzen en wereldwijd te sharen. Het werk correspondeert immers met onze opvattingen van een strijd voor democratie. Wanneer IS echter de zoveelste onthoofdingsvideo verspreidt, laait het debat op dat de toegankelijkheid van het internet dringende herziening nodig heeft. Moeten we aan terroristisch gedachtegoed evenveel gehoor geven als aan de Oekraïense strijd voor democratie? Nee, want de daden die IS pleegt zijn uiteraard verwerpelijk. Maar stellen ze tegelijk ook de Westelijke interventie in het Midden-Oosten niet in vraag?

Nieuwe media hebben inderdaad de macht om de relativiteit en kunstmatigheid van gevestigde waarden toegankelijk te maken voor een breed publiek. Dat revolutionaire karakter vraagt dan ook om een aangepaste, open ethiek die alle stemmen, van professionele en niet-professionele journalisten, van communisten en liberalen, van moslims tot boeddhisten, ook effectief aan bod laat komen. Controversiële meningen zijn dan ook onvermijdelijk, waardoor er wel voor een zeker regulering gepleit kan worden. Het is dus de onmogelijke taak van het internet om een balans te vinden tussen openheid en geslotenheid. Onmogelijk, inderdaad. Maar ik wou het toch even vermelden. Leven en laten leven dan maar?

Ohja, nog dit.

Bronnen

Vincent Maher – Citizen Journalism is Dead

Stephen J. A. Ward & Herman Wasserman – Towards an Open Ethics: Implications of New Media Platforms for Global Ethics Discourse

Walden becomes a warrior: Ted Kaczynski’s dreigende waarheid

In Montana staat een huis: rustige ligging, rustieke stijl en groene omgeving. Water en elektriciteit apart verkrijgbaar. De primitieve hut behoorde ooit toe aan Ted Kaczynski, de beruchte Unabomber die maar liefst 3 doden en 23 gewonden op zijn palmares heeft staan. Maar het doel heiligt blijkbaar de middelen; met zijn bombrieven trachtte de anarchoprimitivistische activist/terrorist de mensheid bewust te maken van de vuist van het technologische systeem, contradictorisch genoeg ten koste van zijn vooropstaand ideaal, absolute vrijheid. Zijn zelf gehakt hout is ondertussen ingewisseld voor tralies van staal, maar hoe relevant is het gedachtegoed van deze “martelaar” nog voor een samenleving waarin technologie ons ongelooflijke vrijheden aanbiedt?

Revolutie tegen revolutie

The Industrial Revolution and its consequences have been a disaster for the human race. […] The continued development of technology will worsen the situation. It will certainly subject human beings to greater indignities and inflict greater damage on the natural world, it will probably lead to greater social disruption and psychological suffering, and it may lead to increased physical suffering even in “advanced” countries. (Kaczynski, 1997)

Met deze opener van zijn manifest Industrial Society and Its Future kleurt Kaczynski’s beeld van de technologische samenleving meteen zwart. Die samenleving vond zijn oorsprong in de Industriële Revolutie en dreigt nu, in de 20ste eeuw, de controle over het individu volledig over te nemen. Volgens Kaczynski vallen technologie en vrijheid dan ook niet met elkaar te rijmen. Iedere vorm van technologische vooruitgang begint immers als een optie, maar eindigt als een noodzaak om te kunnen functioneren binnen de maatschappij. Hij geeft hierbij het voorbeeld van de auto; deze leek op het eerste zicht de vrijheid te vergroten, maar naarmate de infrastructuur van de samenleving zich steeds meer afstemt op het voertuig, zagen meer en meer individuen zich genoodzaakt een auto aan te schaffen. Bovendien zorgt een steeds strengere regulering van autogebruik (via bv. rijbewijzen, autoverzekeringen etc.) ervoor dat het individu afhankelijk wordt van de regering en bedrijven. Vooral de Waldens van de technologische samenleving, waaronder Kaczynski zelf, worden dan drastisch in hun vrijheid beperkt.

Maar hoe kan een wereld die zo sterk ingebed zit in het ideaal van vooruitgang breken met technologie? Kaczynski spreekt in dit verband niet over “reform” maar drastische “revolution”. Het heeft immers geen zin om te streven naar kleinschalige veranderingen aangezien de technologische samenleving ongelooflijk snel evolueert. Het systeem moet dus volledig met de grond gelijk gemaakt worden.

There is no way of reforming or modifying the system so as to prevent it from depriving people of dignity and autonomy […] We therefore advocate a revolution against the industrial system. This revolution may or may not make use of violence; it may be sudden or it may be a relatively gradual process spanning a few decades. (Kaczynski, 1997)

Dat Kaczynski bij het streven naar een ultieme vrijheid geen geweld schuwt blijkt alvast uit de bombrieven waarmee hij de Verenigde Staten wou bewustmaken. Met dit technologisch terreur keert hij als het ware de samenleving tegen zichzelf; de bomaanslagen, eveneens een symbool van de industriële revolutie die hij zo veracht, creëren immers een wantrouwen ten opzichte van technologie. Dat gevoel vormt voor Kaczynski dan een goede voedingsbodem voor de eerste stappen naar absolute vrijheid.

Digitale vrijheid?

Het etiket van “paranoïde schizofreen” dat Kaczynski opgeplakt kreeg verraadt op het eerste zicht alvast een gebrek aan relevantie van zijn radicale gedachtegoed. En inderdaad, is het afzweren van technologie die ons leven aanzienlijk vergemakkelijkt geen complete waanzin? Bovendien lijkt een technologische vernieuwing als het internet net diversiteit en vrijheid te bevorderen. Het individu kiest immers zelf uit het overgrote aanbod aan informatie welke hij of zij al dan niet wil verwerken. Deze informatie reflecteert niet langer altijd de dominante ideologie en vormt met zijn nichecultuur een mogelijkheid tot contrahegemonie.

Die gedachtegang is echter waar neo-luddist Kaczynski ons als technologieconsumenten voor wil waarschuwen. Het internet biedt immers maar een vrijheid in elementen die niet direct relevant zijn voor het technologisch systeem; zo zijn we vrij in de keuze van onze religie, seksuele oriëntatie en politieke voorkeur, zolang we maar effectief blijven deelnemen aan het systeem zelf en het daardoor in stand houden. De vrijheid van het internet is dus sterk relatief; het biedt dan wel een platform voor meningen die afwijken van de elite, maar dat platform is dan weer een bekrachtiging van het technologisch systeem. Bovendien gaat het internet, zoals Kaczynski stelde in zijn manifest, ons denken en complete zijn sterk beïnvloeden. Zo zegt Amerikaans journalist Neal Gabler bijvoorbeeld dat informatie een doel op zichzelf geworden is; we willen alles weten omdat we anders niet meer kunnen functioneren in dat technologisch systeem, en bij uitbreiding, de gehele maatschappij.

Is het nu dan wachten tot een nieuwe Kaczynski het technologisch toneel overneemt? Allesbehalve. Het internet en het individu veronderstellen immers een complexe wisselwerking die de simpele tweedeling van producent en consument overstijgt. Maar iedere uitvinding die een noodzakelijkheid wordt voor de mensheid en dat eerst nog niet was, dient met een gezonde dosis argwaan behandeld te worden. De komende weken zal ik deze blog dan ook bombarderen met een kritische kijk op het kluwen van nieuwe media dat de mensheid domineert. Want dat is heerlijk paradoxaal.

Bronnen

Afbeelding: theguardian.com

Kaczynski, T. “Industrial Society and Its Future.” The Washington Post, 1997. <http://www.washingtonpost.com/wp-srv/national/longterm/unabomber/manifesto.text.htm&gt;

Gabler, N. “The Elusive Big Idea.” The New York Times, 13 augustus 2013. <http://www.nytimes.com/2011/08/14/opinion/sunday/the-elusive-big-idea.html?_r=3&pagewanted=all&gt;